Durf! te verspaansen
Elke keer een beetje más España
Om te onthouden
SER = wat iets of iemand is én feitelijk
ESTAR = hoe iets of iemand is, voelt of waar
het zich bevindt.
Ezelsbruggetje
Wat is het?
→ SER
Es médico. (Hij is arts.)
Hoe is het / hoe voelt het / waar is het?
→ ESTAR
Está cansado. (Hij is moe.)
SER
Mi marido es bueno.
→ Mijn man is een goed persoon.
El plátano es verde.
→ De banaan is groen.
Ana es rica.
→ Ana is rijk.
ESTAR
Mi marido está bueno.
→ Mijn man ziet er aantrekkelijk uit.
El plátano está verde.
→ De banaan is nog niet rijp.
La paella está rica.
→ De paella smaakt lekker.
Onthoud:
ser = identiteit, eigenschap, definitie
estar = toestand, gevoel, situatie, resultaat van een verandering
